Te weinig oplossingen voor woningeigenaren met restschuld

Elke Willemsen - 26 maart 2015

Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) heeft in opdracht van het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) onderzoek gedaan naar de omvang en effecten van restschulden in Nederland. Aanleiding tot deze opdracht waren de signalen van gemeenten dat de doorstroming op de woningmarkt niet goed tot stand komt. De restschuldproblematiek zou hier een belangrijke rol in spelen.

Uit het onderzoeksrapport ‘Restschulden in Nederland’ blijkt dat er op de markt voor financieringsoplossingen onvoldoende mogelijkheden zijn voor woningeigenaren met een restschuld. Een jaar geleden stonden er nog ruim een miljoen huishoudens ‘onder water’. Daarbij hadden zij een hypotheek die hoger was dan de geschatte waarde van de woning. Volgens het rapport zijn in de provincies Overijssel, Gelderland, Flevoland, Noord Brabant en in de Randstad de problemen het grootst bij jonge huishoudens met eigenaren van tussen de 25 en 45 jaar oud. Een groot deel van deze huishoudens zou graag een volgende stap willen zetten in hun wooncarrière, maar kunnen de vereiste financiering niet realiseren.

Dit zou betekenen dat op de korte termijn het aantal verhuizingen naar schatting 32.000 tot 38.000 lager ligt als gevolg van de restschulden. Dit betekent een belemmering in de doorstroming op zowel de woningmarkt als de arbeidsmarkt.

 

Financieringsproblemen

Uit het onderzoek blijkt dat 44 procent van de huishoudens met restschulden niet kunnen verhuizen vanwege de woonlastennormen (ook wel LTI-normen genoemd). Deze normen worden steeds strenger, terwijl alternatieve financieringsmogelijkheden ontbreken. Daarnaast zorgt verliesaversie van huiseigenaren er ook voor dat de verhuismobiliteit lager ligt en geeft 15 procent van de ondervraagden aan dat ze gerantsoeneerd worden omdat geldverstrekkers additionele eisen stellen aan de hoogte van de financiering ten opzichte van de woningwaarde.

 

Oplossingen

Het rapport draagt ook een aantal oplossingen aan, waarin onder meer een rol is weggelegd voor decentrale overheden. Zij hebben immers ook belangen bij een goed functionerende woningmarkt. Zo kunnen decentrale overheden additionele financiering bieden, bijvoorbeeld in de vorm van een restschuldfonds. Op deze wijze kan een impuls worden gegeven aan de (regionale) woningmarkt in algemene zin of kunnen middelen worden ingezet om specifieke doelgroepen te helpen.

Daarnaast geeft de EIB als belangrijkste oplossing het verruimen van de LTI-normen. Zo zou te overwegen zijn om de normen voor de jonge huishoudens met een perspectief op een vergroot inkomen kunnen worden versoepeld. Dit kan door een leeftijdsgebonden toeslag op de leenruimte of door enige verruiming te bieden voor huishoudens met een restschuld. Deze oplossing kan alleen vanuit de nationale politiek worden geboden.  

Het rapport benadert hierbij dat huishoudens met restschulden die willen doorstromen en de hun hypotheek mee willen nemen geen grotere risico’s aangaan. Het gaat immers om dezelfde financiële situatie, maar dan bij een andere woning. Volgens de EIB is het geen goed argument om deze huishoudens vervolgens te beperken in hun vrijheid.


ma t/m vrij 9 - 21 & za 10 - 17

Chat bezet